Een juridische sprong in het diepe

In de jaren ‘80 van de vorige eeuw ontwierp de Friese kunstenaar Hanshan Roebers een brugachtige sculptuur in koper en Azobé-hout die haaks op de spoortunnel bij het NS-station in Tilburg werd geplaatst. Oorspronkelijk had het werk geen titel, maar het kreeg in de volksmond al snel de bijnaam ‘de Duikplank’, ook al was er in de wijde omtrek geen water te bekennen.

Over wijzigingen aan kunst in de publieke ruimte

Tijdens het straatkunstproject Kaapstad ‘kaapte’ kunstenaarscollectief Streetart Frankey het kunstwerk en vulde het aan met een 3D-figuur in badpak die op het punt staat in het diepe te duiken. Eerlijk is eerlijk: het kunstwerk trekt daardoor weer de aandacht.

Er gaan stemmen op om het zo maar te laten. Maar hoe zit dat precies? Meer bijzonder: moet kunstenaar Roebers dat zomaar goed vinden?

De wet

In artikel 25 van de Auteurswet staat dat een kunstenaar het recht heeft om zich te verzetten tegen:

1) elke wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet in strijd zou zijn met de redelijkheid, en

2) elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid (reputatieschade).

We zien meteen het probleem: de wetgever heeft een verschil gemaakt tussen wijziging en aantasting zonder duidelijk aan te geven wat het verschil is tussen beide begrippen. Wat is het gevolg van dat onderscheid? Als eenmaal vastgesteld is dat er sprake is van een wijziging kan de kunstenaar zich alleen verzetten als die wijziging in strijd komt met de redelijkheid. Daar kun je alle kanten mee op, want dat is immers een vage norm. In geval van aantasting is die redelijkheidstoets niet aanwezig. Wel moet de kunstenaar vervolgens nog een hobbel nemen: hij/zij moet stellen –en eventueel aantonen– dat er sprake is van reputatieschade .

In maart van dit jaar oordeelde de Hoge Raad nog als volgt:

Art. 25 lid 1, onder d, Aw aldus moet worden uitgelegd dat de maker van een werk zich slechts dan op grond van deze bepaling tegen een aantasting van zijn werk kan verzetten, indien deze aantasting tot reputatieschade kan leiden, ook wanneer de aantasting bestaat in een misvorming of verminking van het werk.

Een minder geslaagd stukje wetgeving dat strijdig is met de Berner Conventie, de oorsprong van het huidige artikel 25. De Berner Conventie maakt namelijk geen onderscheid tussen aantasting en wijziging. Er bestond een “recht van verzet tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van het werk, of tegen elke andere aantasting daarvan, alles voor zover dit de maker reputatieschade toebrengt”

Enfin, daar hebben we niets aan, we moeten het doen met artikel 25 van de Auteurswet.

Wijziging of aantasting

De eerste vraag is dus of het plaatsen van een duiker op de duikplank een wijziging is of een aantasting? Om het laatste te beginnen: het plaatsen van een zwemster op het kunstwerk is geen beschadiging, misvorming of verminking.

Het plaatsen van een dame in badpak op het kunstwerk zou de eerste maanden na plaatsing zonder meer een aantasting hebben betekend van de oorspronkelijke bedoeling, maar past anno 2019 eigenlijk wonderwel bij de latere naam.

Is het dan een aantasting? Strikt genomen niet, maar je zou wel kunnen betogen dat moet worden gekeken naar de oorspronkelijke bedoeling van het kunstwerk. Die oorspronkelijke bedoeling is terug te vinden, want het ging indertijd om een uiterst serieuze manier van plaatsen van kunst in de openbare ruimte. Letterlijk heette het toen: het kunstwerk is een “soort tegenbeweging om het dominerende beton van het viaduct te breken”. Als gezegd, het was natuurlijk nooit bedoeld als duikplank; maar het is –ook door Roebers zelf– later zo genoemd. Het plaatsen van een dame in badpak op het kunstwerk zou de eerste maanden na plaatsing zonder meer een aantasting hebben betekend van de oorspronkelijke bedoeling, maar past anno 2019 eigenlijk wonderwel bij de latere naam.

Anderzijds zou je nog steeds kunnen betogen dat met het plaatsen van het model op het kunstwerk, het kunstwerk zelf wordt gereduceerd tot een vehikel voor de zwemster, een duikplank in de strikte betekenis van het woord en niet meer in de –door de kunstenaar bedoelde– overdrachtelijke zin. Maar als het al een aantasting zou zijn, is de vraag of dat dan tot reputatieschade leidt bij de kunstenaar. Ook daar kun je over twisten. Wat is er mooier dan dat kunst in de openbare ruimte onderdeel wordt van een stad, in de zin dat de stad met een lichte modificatie het kunstwerk 30 jaar na datum alsnog omarmt?

Reputatieschade?

Wanneer is er sprake van reputatieschade? De Hoge Raad heeft dat als volgt geformuleerd:

Bij de vraag of sprake is van reputatieschade, gaat het erom hoe het relevante publiek hierover denkt. Bij de beoordeling van het effect dat een aantasting van een werk in de ogen van het relevante publiek heeft op de reputatie van de maker kunnen alle omstandigheden die daarop licht kunnen werpen in aanmerking worden genomen.
Daarbij valt te denken aan omstandigheden als de aard en ernst van de aantasting, de mate van bekendheid van het werk en van de maker bij het relevante publiek, de reden voor de wijziging waarin de aantasting is gelegen, de waarneembaarheid daarvan voor het relevante publiek en de tijd die is verstreken tussen de voltooiing van het werk en de aantasting.

Is aantasting én daarnaast reputatieschade vastgesteld, dan kan de maker zich op grond van het persoonlijkheidsrecht tegen die aantasting verzetten. In dit geval gaat het om kunst in de openbare ruimte en is het relevante publiek de Tilburgse bevolking. Als die zich niet stoort aan de verandering –het tegendeel lijkt zelfs het geval– is er geen sprake van reputatieschade. Is er geen sprake van aantasting of wel sprake van aantasting maar geen sprake van reputatieschade, dan kan worden teruggevallen op het begrip wijziging.

De kunstenaar kan zich echter niet verzetten tegen redelijke wijzigingen. Wanneer is daar sprake van? Zoals gezegd, een vage norm en de Hoge Raad geeft niet veel steun door te zeggen dat alle omstandigheden van belang zijn:

Bij de vraag of er sprake is van een redelijke wijziging, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Als het gaat om bouwwerken, komt daarbij bijzonder gewicht toe aan de reden voor de wijziging, die veelal gelegen zal zijn in een wijziging van de bestemming of gebruiksfunctie van het bouwwerk.

Dat laatste speelt hier niet.

Samenvattend zal Roebers zich het beste kunnen beroepen op artikel 25 lid 1 Aw. Een tijdelijke wijziging zal hij in het kader van een kunstproject zoals Kaapstad niet kunnen tegenhouden, maar een permanente wijziging hoeft hij niet te dulden. Het mag natuurlijk wel.

Meer Artikelen

#watdoetdathier

  • Sleutelwerken

Het jubileumproject Sleutelwerken vervolgt zijn weg met de hashtag #watdoetdathier,…

Online kunst kijken en luisteren

Nu de musea en presentatie-instellingen tijdelijk zijn gesloten en we zoveel binnen…

Bijdragen 2019 Mondriaan Fonds

  • financiering

Het afgelopen jaar ontving het Mondriaan Fonds 2.554 aanvragen voor bijdragen, zo…

Sleutelwerken.nl

  • Sleutelwerken

Voor ons jubileumproject reed Ingrid Fijen door Nederland om foto's te maken…

ADVERTENTIES