Bouwen aan beeldende kunst

  • beleid & politiek
  • Onderzoek

Sinds 1951 is de percentagereling voor beeldende kunst bij Rijksgebouwen een bron voor opdrachten aan beeldend kunstenaars in Nederland. Hoe werkt de regeling en welke positie heeft zij een kleine zeventig jaar later in het opdrachtgeverschap in de Nederlandse beeldende kunst? En zijn er aandachtspunten voor de toekomst? Het Atelier Rijksbouwmeester heeft de Boekmanstichting gevraagd dieper in het functioneren van de regeling te duiken. Dit artikel is een inleiding op het onderzoek.

De percentageregeling beeldende kunst bij Rijksgebouwen werd in 1951 per ministerieel besluit ingesteld. De regeling diende van het begin af aan twee doelen: enerzijds het verfraaien van Rijksgebouwen en anderzijds het voorzien in fatsoenlijk betaalde opdrachten aan beeldend kunstenaars. Drijvende kracht achter de regeling was toenmalig rijksbouwmeester Gijs Friedhof, die vanuit een redelijk traditionele opvatting over decoratieve en representatieve kunstwerken een harmonische integratie van kunstwerken in Rijksgebouwen voor zich zag. De ruimtelijke en inhoudelijke verankering ervan in het onderkomen van het ministerie van Landbouw en Visserij dat hij zelf bouwde (rijksbouwmeesters ontwierpen in die tijd nog zelf voor het Rijk), is nog steeds een bijzonder goed bewaard voorbeeld van een geslaagde samenwerking tussen opdrachtgever, architect en kunstenaars. Terwijl in de kunstwereld de autonome positie van kunstenaars al sinds het begin van de 20ste eeuw steeds sterker werd, was er in de vroege jaren vijftig ook voor dit soort toegepaste, decoratieve en illustratieve kunstwerken onder opdrachtgevers en kunstenaars nog steeds veel animo (toen de kunstadviseurs van het Atelier Rijksbouwmeester in 2011 een boek met een overzicht van zestig jaar kunst in opdracht in het kader van de rijkspercentageregeling maakten, werden bijvoorbeeld tientallen foto’s aangetroffen van verschillende bronzen hanen die in het kader van de regeling voor politiebureaus waren gemaakt). Uiteraard speelde in deze naoorlogse periode ook de financiële nood onder kunstenaars mee.

Van vast budget naar percentage

Ook vóór 1951 verleende de Rijksoverheid kunstopdrachten. Nieuw was echter dat de opdrachtenpraktijk vanaf dat moment als een percentageregeling was opgezet. Dat wil zeggen dat er niet langer ad hoc opdrachten worden gegeven en er geen vast budget voor de kunstopdrachten op de rijksbegroting staat, maar dat er op grond van een rekenmodel bij ieder bouwkundig project van de Rijksoverheid kan worden vastgesteld wat voor dat specifieke project het kunstbudget is. Op dit moment is het zo dat de regeling van toepassing is op projecten waarvan de bouwkundige kosten (het totale investeringsbedrag exclusief installaties en onderhoud) meer dan een miljoen euro bedragen. Bij bouwkosten tot en met 7 miljoen euro wordt het kunstbudget op anderhalf procent vastgesteld. Bij bouwkosten tot 10 miljoen gaat het om 1 procent en vanaf 10 miljoen om een half procent plus 70 duizend euro. De regeling beweegt in omvang dus mee met wat het Rijk aan zijn vastgoed uitgeeft.

Verschillende overheidsdiensten zijn aan de gemeenten overgedragen of geprivatiseerd. Die organisaties hebben op een of andere manier een kunstopdrachtenbeleid voortgezet, maar niet altijd zo consequent als de oorspronkelijke regeling beoogde.

Sinds 1951 zijn er verschillende overheidsdiensten aan de gemeenten overgedragen of geprivatiseerd, onder andere de spoorwegen, de posterijen en verschillende nutsbedrijven. Deze organisaties hebben op een of andere manier een kunstopdrachtenbeleid voortgezet, maar niet altijd zo consequent als de oorspronkelijke regeling beoogde. Voor civiele werken (waarbij kunst minder voor de hand ligt) en defensie (die eigenaar en beheerder van haar eigen vastgoed is) geldt de regeling vooralsnog niet. Nederlandse ambassades vallen er wel onder, waarbij het ministerie van Buitenlandse Zaken verantwoordelijk is voor de uitvoering. In alle andere gevallen is de rijksbouwmeester verantwoordelijk voor de toepassing van de percentageregeling. Dat zijn op dit moment de diverse rijkskantoren, ministeries, rechtbanken, gerechtshoven en paleizen van justitie, de koninklijke paleizen, rijksmusea, gevangenissen, gebouwen van rijksdiensten als het RIVM, de Koninklijke Bibliotheek, het Nationaal Archief en de KNAW. De kunstportefeuille van het Atelier Rijksbouwmeester bevat op dit moment ongeveer dertig opdrachten in verschillende stadia tussen ontwerp en uitvoering voor een totaalbedrag van zo’n 6 miljoen euro.

De procedure

Per project wordt een kunstcommissie ingesteld die minimaal bestaat uit de bouwkundig projectverantwoordelijke van het Rijksvastgoedbedrijf, de architect of interieurarchitect van het gebouw of de verbouwing, een of meerdere vertegenwoordigers van de gebruiker en een adviseur beeldende kunst van het Atelier Rijksbouwmeester. Gezamenlijk komen deze tot een opdrachtomschrijving waarin locatie, medium en thematiek van de opdracht meestal worden gespecificeerd. Op grond van deze informatie stelt de adviseur beeldende kunst een longlist van potentiële kandidaten voor de opdracht samen. Alle leden van de kunstcommissie kunnen voor deze longlist namen aandragen. Vervolgens wordt hieruit een shortlist van drie kunstenaars samengesteld. Voor een goed verloop van een opdracht is vertrouwen in de kunstenaar bijzonder belangrijk. Alle betrokkenen moeten bereid zijn om met elkaar in een proces te stappen waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat.

Alle leden van de kunstcommissie kunnen voor deze longlist namen aandragen. Vervolgens wordt hieruit een shortlist van drie kunstenaars samengesteld.

Op grond van atelierbezoeken wordt daarom een keuze gemaakt voor één kunstenaar die de opdracht krijgt om een schetsontwerp te maken.Het Atelier Rijksbouwmeester kiest hier bewust voor. De samenwerking tussen opdrachtgever en kunstenaar gedurende het ontwerptraject kan zo intensiever zijn, met meer ruimte voor vertrouwen, dan binnen een competitie. Ook leidt de praktijk van meervoudige schetsontwerpen er altijd toe dat veel ontwerpen niet gerealiseerd zullen worden en dus een soort wegwerpproduct zijn. Los van het feit dat de kunstenaar ook voor zo’n niet uitgevoerd ontwerp betaald wordt, werkt dat ondermijnend voor het creatieve proces.

Naar aanleiding van het voorlopig ontwerp heeft de kunstcommissie alle gelegenheid om er aanmerkingen op te maken en aanpassingen te verlangen. Het contract dat voor de percentageopdrachten gebruikt wordt voorziet expliciet in de mogelijkheid om een geheel nieuw ontwerp te verlangen en als dat ook niet voldoet de overeenkomst te verbreken. Kortom, de keuze voor één kunstenaar betekent niet dat deze carte blanche krijgt. Het proces is er daarentegen op gericht om een geëngageerd opdrachtgeverschap te entameren. Als het voorlopig ontwerp wordt goedgekeurd, wordt dit verder uitgewerkt in een definitief ontwerp dat een technischer karakter heeft. Hierin worden productie, installatie, begroting en planning tot in detail voorgelegd aan de commissie. Vervolgens krijgt de kunstenaar opdracht om het werk volgens het definitieve ontwerp uit te voeren en op te leveren, waarmee het onderdeel wordt van de collectie van het Rijksvastgoedbedrijf.

Veranderende praktijk

Zowel de bouwpraktijk als de kunstwereld zijn in beweging. Waar de rijksbouwmeester vroeger zelf bouwheer was en later, tot in de jaren tachtig, naar eigen inzicht architecten opdrachten kon geven, valt nu bijna ieder project onder de Europese aanbestedingsregels. Veel gebouwen worden in zogenaamde geïntegreerde contracten gerealiseerd door consortia van aannemers en architecten of ontwerpers, soms aangevuld met onderhoudspartijen, financiers en diverse adviesbureaus. Dit betekent dat van tevoren goed moet worden nagedacht wanneer en hoe de kunstprojecten in deze complexe processen moeten worden ingevlochten. Maar ook de kunst zelf is aan verandering onderhevig. Waar de kunstenaar vroeger in zijn atelier binnen een bepaald medium aan een oeuvre werkte waarvan de losse uitkomsten al dan niet hun weg vonden naar galeries, verzamelaars en musea, daar is de hedendaagse kunstenaar meestal een multidisciplinaire nomade en het hedendaagse kunstwerk een gelegenheidswerk dat in overleg met tentoonstellingsmakers voor een specifiek moment en een specifieke plaats bedacht en geproduceerd wordt. Ook opdrachten voor kunstwerken in de openbare ruimte worden steeds vaker voor bepaalde tijd verleend.

Waar de kunstenaar vroeger in zijn atelier binnen een bepaald medium aan een oeuvre werkte daar is de hedendaagse kunstenaar meestal een multidisciplinaire nomade en het hedendaagse kunstwerk een gelegenheidswerk voor een specifiek moment en een specifieke plaats…

Dit laatste gebeurt vooral omdat onderhoud en beheer van opdrachtkunst bij groeiende collecties en steeds diversere media een steeds groter, veeleisender en kostbaarder vraagstuk worden. Plat gezegd: bronzen beelden en olieverfschilderijen vergen de eerste decennia niet veel meer onderhoud dan dat je er van tijd tot tijd met de plumeau langsgaat. Kinetische kunstwerken, videoschermen, lichtkunstwerken, foto’s in lichtbakken, werken van glas, polyester, epoxyhars, bioplastic, kunstwerken met planten en dieren, sociale interventies en geluidswandelingen vragen om een bijzonder geschakeerd palet van visie en techniek voor onderhoud en beheer. De houdbaarheid van kunstwerken is daarbij een belangrijk vraagstuk. Terwijl de kunstwereld steeds beweeglijker wordt en minder nadruk op autonome fysieke kunstwerken kent, leeft bij een deel van publiek, opdrachtgevers en ook bij een oudere generatie kunstenaars het geloof in eeuwigheidswaarde van kunstwerken nog onverminderd. In de dagelijkse praktijk van de percentageregeling komen deze verschillende uitgangspunten meer dan eens met elkaar in botsing.

Andere kijk op onderhoud en beheer

Het Rijksvastgoedbedrijf is van mening dat goed onderhoud en beheer niet betekent dat een kunstwerk voor onbepaalde tijd in stand gehouden moet worden. Natuurlijke veroudering van materialen moet door de kunstenaar bijvoorbeeld worden meegewogen in de te verwachten levensduur. Steeds vaker wordt een opdracht gegeven voor bepaalde tijd. Dat betekent (meestal) niet dat het werk na deze einddatum per se verwijderd en/of vernietigd moet worden, maar dat de houdbaarheid van het werk dan opnieuw geëvalueerd wordt.

Steeds vaker wordt een opdracht gegeven voor bepaalde tijd.

Een van de belangrijkste en meest complexe vraagstukken is hoe om te gaan met kunstwerken waarover zo’n afspraak niet gemaakt is maar die toch om verschillende redenen niet meer te behouden zijn. Het werk kan zodanig beschadigd of materieel gezien verouderd zijn dat restauratie niet meer mogelijk is, of zo kostbaar dat dit niet in verhouding staat tot de waarde die aan het kunstwerk wordt toegekend. De locatie waar het kunstwerk zich bevindt kan zodanig veranderen dat er voor het werk geen plaats meer is of dat het niet meer tot zijn recht komt. Of het werk wordt als provocerend, lelijk, gevaarlijk of gedateerd aangemerkt. Bij al deze overwegingen is het steeds de vraag hoe en op welke gronden de kwaliteit van kunstwerken wordt beoordeeld. Vaker dan nu gebeurt zou ook besloten kunnen worden om een kunstwerk níet te handhaven. Het is in dat geval wel van belang om dit op basis van een weloverwogen en breed gedeeld afwegingskader te doen.

Een blik op de financiën

Wanneer beeldend kunstenaars steeds vaker en steeds meer met verschillende media werken, zorgt dit er niet alleen voor dat er meer opdrachten voor bepaalde tijd worden uitgeschreven. Ook de financiering verandert hiermee. En zo zijn er meer factoren waarbij een wederzijdse beïnvloeding bestaat tussen ontwikkelingen in de kunstpraktijk en hoe de regeling daarop inspeelt. Het is daarbij van belang om zicht te krijgen op het functioneren van de regeling als financieringsinstrument in het bredere opdrachtgeverschap binnen de beeldende kunst. Door haar opzet is de percentageregeling een vorm van financiering die weinig ruimte laat voor discussie over de hoogte van het budget. Het budget wordt per project immers gedicteerd door procedurele afspraken waarop bijvoorbeeld een veranderende politieke wind minder vat heeft. Zo is het kunstbudget waarin de regeling voorziet, niet bedoeld voor het onderhoud – daarover moeten dus aanvullende afspraken worden gemaakt – maar wel voor het honorarium dat de betrokken beeldend kunstenaar ontvangt. Op een moment dat in de sector een honorariumrichtlijn gehanteerd wordt, zal dit effect hebben op hoe er gekeken wordt naar de ingebouwde rekensleutel voor de honoraria in de percentageregeling en of deze nog wel volstaat.

Om iets te kunnen zeggen over de toegevoegde waarde van de regeling binnen een bredere waaier aan inkomstenbronnen voor beeldend kunstenaars, moeten meerdere geldstromen die hiermee samenhangen worden bekeken. Bijvoorbeeld het geld dat wordt besteed aan de aankoop van nieuw werk. Zo laat de Cultuurindex Nederland vanaf 2005 een dalende lijn zien in de aankoopbudgetten van leden van de Vereniging Bedrijfscollecties Nederland (VBCN). Ook de cijfers van de KunstKoopregeling van het Mondriaan Fonds tonen in die periode zowel in budget als in het aantal afgesloten contracten een daling. In 2016 wijdde Nieuwsuur een aflevering aan de druk op incidentele museale aankopen, waar de budgetten teruglopen terwijl de prijzen van werk van gerenommeerde kunstenaars wereldwijd stijgen. Dit werd in 2018 bevestigd door de Raad voor Cultuur (Raad voor Cultuur 2018). Meer recent pleit de Raad voor Cultuur ook voor een betere inrichting van financieringsmogelijkheden om museumcollecties uit te breiden (Raad voor Cultuur 2019). Crowdfunding lijkt de beeldend kunstenaars ook niet de extra financiering te brengen waarop sommigen hoopten: tussen 2014 en 2017 loopt het aantal met succes gefinancierde projecten op het platform Voordekunst dat omschreven wordt als beeldende kunst, terug van 107 naar 84. Het gedoneerde bedrag daarbij daalt van 428.059 euro in 2014 naar 380.749 euro in 2017 (tabel 1).

Opdrachten voor beeldend kunstenaars vervullen in ieder geval financieel gezien dan ook een belangrijke mogelijkheid om de kunstpraktijk te ondersteunen. Sinds 2013 kent het Mondriaan Fonds de Bijdrage Opdrachtgeverschap om dit te stimuleren. Hieruit is sindsdien aan 224 opdrachten een bijdrage geleverd van in totaal 8.159.627 euro (jaarverslagen Mondriaan Fonds). De Bijdrage Opdrachtgeverschap bestaat korter dan de percentageregeling, maar vormt wel een meer constante geldstroom. Bij de percentageregeling hangt het beschikbare budget immers samen met de bouwactiviteit van het Rijksvastgoedbedrijf. Kijkend naar de uitgaven binnen de regeling, geeft dit een sterk wisselend beeld (figuur 1).

Meer Artikelen

Kunst en cultuur in tijden van Corona

  • beleid & politiek
  • financiering

Het coronavirus zorgt ook voor economische onrust. We sommen een aantal maatregelen…

Over de vele zzp’ers in de cultuursector

  • beleid & politiek
  • financiering

Van alle Europese landen telt Nederland de meeste zzp'ers. En in de…

100 Sleutelwerken na-oorlogse beeldende kunst in de openbare ruimte

  • Sleutelwerken

Afgelopen november riep stichting BK-informatie op om online een voordracht te doen…

Duurzaam internationaal reizen in de kunstsector

  • internationaal

Welke steden kan je met de trein bereiken vanuit Brussel-Zuid binnen een…

ADVERTENTIES