北京 / Beijing

Sinds 5 juli jl. is Maurice Bogaert artist-in-residence in Beijing, waar hij tot januari 2015 zal verblijven aan het Institute for Provocation (IFP)/Project Studio Beijing. Bogaert werkt in Beijing aan een vervolg op het Wezen van de Stad. Een werk over de stad als protoganist. De stad als een zich eeuwig herhalende (film)sequens van slopen, bouwen, afbreken en weer opbouwen. Een werk over de almaar uitdijende stad die langzaam de dorpen om zich heen opslokt. Een stad die met je mee lijkt te bewegen bij elke ringweg die je kruist. Een stad van opgeslokte dorpen, generieke flatblokken en hutongs.

Here in the civilised world,
Stranger events by far occur
Than in de Country of Cropped Hair;
Before our very eyes
Weirder tales unfold
Than in the Nation of Flying Heads.

Pu Songling, Strange Tales from a Chinese Studio, 1679

Als ik om kwart over vijf ‘s ochtends aankom in Beijing is het warm en benauwd, ik loop door de lange lege gangen van het vliegveld en denk aan een subtropisch zwemparadijs. Het ruikt naar een mix van nat beton en ijzerslijpsel. Buiten is het zicht hooguit 100 meter. Hu Wei staat met een bordje met mijn naam te wachten bij de uitgang. Samen zullen we een taxi nemen naar het centrum van de stad. Voordat ik instap werp ik nog snel een blik over de schouders van een aantal rondhangende taxichauffeurs, ze kijken voetbal. Nederland – Costa Rica, het is reservetijd en het staat 0-0.

In de taxi passeren we vijf van de zes ringwegen. Maar ik zie niet veel meer dan de bumper van de auto die voor de onze uitrijdt. De wereld net voorbij de vangrail lost op een in een gele mist. Ik heb geen idee hoe de stad waar we doorheen rijden er uitziet. Ik vraag Hu Wei of het een goede of een slechte dag is vandaag wat betreft de smog. Ik heb geen idee en ik hoop op een slechte dag. Het is een slechte dag, stelt hij me gerust.

Als we er bijna zijn, moeten we de chauffeur ervan overtuigen ons toch echt tot aan de voordeur te brengen. Eigenlijk wil hij ons bij de hoofdweg afzetten. Echt enthousiast is hij niet om de smalle hutong in te rijden waar ik het komende half jaar zal wonen. Heizima Hutong 13, de Zwarte Sesamstraat, Sesamsteeg eigenlijk. Achter de poort van nummer 13 opent zich een nieuwe wereld. Een verzameling binnenplaatsjes, huisjes en bouwsels, een boom en wat komkommerplanten. De binnenplaats ademt de sfeer van een dorp. Ik kan me niet voorstellen dat ik me bevind in het centrum van een stad waar meer dan 20 miljoen mensen wonen.
Simon en Esther, de twee andere Nederlandse artists-in-residence, die hier al een half jaar zijn, komen vlak na mij ‘thuis’. Simon draagt een knal-oranje pak zoals de schoonmakers van de openbare toiletten hier dragen, inclusief oranje pet. Ze hebben voetbal gekeken, ‘we’ zijn door naar de halve finale.

Simon en Esther gaan naar bed. Ik ga samen met Hu Wei op zoek naar ontbijt. Althans voor mij lijkt het een zoektocht, ik kan geen enkel uithangbord lezen en heb na drie bochten geen idee meer waar we zijn. Hu Wei is twee jaar geleden afgestudeerd aan de Central Academie Fine Arts (CAFA) hier in Beijing en werkt voor IFP. Hij weet precies waar we naar toe gaan.
We eten soep met tofu, iets gefrituurds en een in thee gekookt ei. (De duizend jarige eieren volgen later die week). “Hier kan ik wel aan wennen” denk ik en ik vraag hoe het gerecht heet. Hu Wei maakt een briefje voor me, zoals hij nog wel vaker zal doen. Briefjes die ik dan kan laten zien aan taxi- en buschauffeurs. Vooral bij het overstappen van de ene op de andere bus, blijken zijn aanwijzingen van onschatbare waarde. Zonder Hu Wei’s aanwijzingen had ik, ondanks zijn lengte, de Chinese muur niet gevonden.

Ik loop en fiets hele dagen door de stad, kijk om heen, absorbeer alles. Tiananmen Plein, de verboden stad, Beihaipark, de Lama tempel, de hutongs, 798, Black Bridge, Cao Chang Di en de dumplingtent om de hoek, waar tijdelijk even buiten gekookt wordt omdat de keuken wordt verbouwd. En ‘s avonds ben ik bekaf.

Als ik later die week in mijn beste Chinees eten probeer te bestellen en ik alleen een meewarige blik terug krijg, realiseer ik me hoezeer mijn lerares Chinees in Amsterdam haar best gedaan moet hebben om te verstaan wat mijn klasgenoten en ik tijdens de les aan klanken uitstootten. Ik wijs op het verweerde ‘English Menu’ op het raam en krijg dezelfde meewarige blik. Ik kijk om me heen om te zien wat de anderen eten en wijs op het bord van de man aan het andere tafeltje. Een paar minuten later krijg ik net zo’n bord noodles voor mijn neus.

In de Engelse boekwinkel koop ik Cat Country van Lao She, een boek over een Chinese astronaut die neerstort op Mars. Het boek is geschreven in 1932, is satirische science fiction en gaat over de nadagen van een door katachtige mensen bewoond rijk. Het is een commentaar op het China van de jaren dertig. Op de een of andere manier voel ik me verbonden met de naamloze held en zijn avonturen. Een vreemdeling in een onbekend land waar alles anders is dan hij is gewend. Een Lǎowài, een buitenlander zoals de Beijingers hem wellicht genoemd zouden hebben, in een maatschappij die in korte tijd enorme veranderingen doormaakt.

groene ballen20-20BW

Heel langzaam begin ik een beetje inzicht te krijgen in het China, of in ieder geval het Beijing van nu. Toch krijg ik er moeilijk grip op. Beijing lijkt niet op het China zoals ik me dat had voorgesteld. Ik krijg niet de indruk dat ik in een land woon waar ik op m’n woorden moet passen. Jonge geüniformeerde mannen zitten gehurkt op een rijtje op de stoeprand met hun telefoons te spelen, agenten bij een rood stoplicht worden genegeerd. De overheid lijkt ver weg. Maar aan de andere kant hoor ik ook verhalen over ondoorwaadbare bureaucratische procedures en zie ik hoe op de metrostations soms mensen schijnbaar willekeurig naar hun legitimatie wordt gevraagd.

Sid, die net als Hu Wei voor IFP werkt, vertelt me dat het Penghao Theater, dat hier een paar straten verderop zit, de teksten van de op te voeren stukken moet doorsturen ter inzage. Dat er camera’s geïnstalleerd zijn in het theater en dat er bij elke voorstelling de mogelijkheid bestaat dat er een mystery guest komt kijken. Hij vertelt me ook dat IFP niet snel de uitgeschreven naam, Insititute for Provocation – en laat staan de Chinese vertaling – gebruikt in officiële documenten. Tegelijkertijd staat het gewoon op de voordeur, of op mijn visumaanvraag: Institute for Provocation.

Op een vrijdagavond ga ik eten in een van vloer tot plafond betegeld Xinjian restaurant: drie tafels breed en ik denk zeven diep. Ik zit min of meer in het midden. Op de spiegelwanden na is alles goudgeel, dus eigenlijk is alles goudgeel. Over de gele tafellakens ligt een glasplaat. Alles glimt en de spiegels weerkaatsen niet alleen de ruimte, maar ook de geluiden tot in het oneindige. Het is vrijdagavond. Het is vol en ik zit in het midden.
De jongens en meisjes die hier werken hebben een soort van zelfbedacht uniform aan. De jongens dragen oranje T-shirts. De meisjes dragen allemaal een roze hoofddoek en een T-shirt bedrukt met een typografische woordenbrei van schijnbaar willekeurige Engelse woorden. Het woord sex springt er uit. Ik denk niet dat ze het kunnen lezen.
Lachende en rochelende mannen hebben hun shirts over hun blote buiken opgerold tot onder hun oksels. De mannen, echtparen en jonge stelletjes vieren dat het vrijdag is. Ze praten op een volume alsof de vloer en de wanden bekleed zijn met vloerbedekking en vilten lappen, in plaats van tegels en glasplaten. Fúwùyuán! Het geluid is zo hard dat het me bijna niet lukt om te eten.
Een iets te dik meisje steekt de ene na de andere sigaret op. Ze kijkt verliefd naar de jongen tegenover zich. Zijn gezicht kan ik niet zien, maar hij rookt minstens zoveel als zij. En in het midden zit een buitenlander, de Lǎowài, naar wie ze allemaal al een keer gekeken hebben. De man die te veel drinkt vergeet zijn vrouw niet bij te schenken. De man en de vrouw zijn twintig jaar ouder dan het verliefde stel dat inmiddels is vertrokken. Hij lacht en proost op mij.
“Mǎidān!” roep ik als ik de rekening wil.
“San shi si”
“Vierendertig”, vertaal ik zachtjes voor mezelf. Ik reken af en ga.

Langzaam beginnen dingen normaal te worden, langzaam heb ik plek in mijn hoofd om na te denken over nieuw werk dat ik zou willen maken. Ik verzamel fragmenten, beelden, scenes voor een werk waarin de stad de hoofdrol gaat spelen, waarin Beijing de protagonist zal zijn. De almaar uitdijende stad die langzaam de dorpen om zich heen opslokt. Een stad die met je mee lijkt te bewegen bij elke ringweg die je kruist. Een stad van opgeslokte dorpen, generieke flatblokken en hutongs. De stad waar alles aan elkaar geknutseld wordt, waar elke formele structuur een informele tegenhanger heeft. Waar op de stoep voor de IKEA verkopers nog goedkopere meuk verkopen. In deze gigantische stad zijn het misschien niet de grote, maar juist de kleine verhalen die me zo fascineren.

Ik zit in het park. Er lopen twee dames roddelend en uit de maat klappend voorbij. Af en toe houden ze even in, maar blijven klappen. De opwinding is dan te horen in hun stemmen. Even later lopen ze weer verder, nog steeds klappend en nog steeds uit de maat. Van de andere kant komt een man in pyjama en met een klein rood transistor radiootje aangeschuifeld.

Hu Wei vertrekt volgende week naar Nederland om te beginnen met de Master van het Dutch Art Institute. Ik kijk er naar uit om hem weer te zien als ik terug ben in Nederland. Ik ben benieuwd naar zijn verhalen en avonturen in Nederland. Voor zijn afscheid zijn we gaan eten in een Japans-Italiaans restaurant. Sushi en pasta.

Meer Columns

ADVERTENTIES