Haar werk had oorspronkelijk op een andere gevel gestaan onder de Rotterdamse Hofbogen. Maar toen muralist Hedy Tjin klaar was, liet de nieuwe eigenaar van het koophuis ertegenover haar onvrede horen. ‘Te etnisch,’ noemde de bewoonster het – daar wilde ze niet op uitkijken. Tjin besloot haar muurschildering te verwijderen. Gelukkig vond ze een oplossing dichtbij: een paar bogen verderop bood een gevel uitkomst.
Dat vertelden Bruce Tsai-Meu-Chong van Opperclaes en Hedy Tjin tijdens de stadsdialoog Stad als canvas? Van guerillagroet tot gemeentelijke opdracht, die afgelopen januari plaatsvond in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam. In 2023 lanceerde kunstenaarsduo Opperclaes het project Ro!Heilbron!, met als doel de nalatenschap van de Surinaams-Nederlandse kunstenaar Ro Heilbron (1938–2014) te eren en te bewaren in de context van 150 jaar koloniaal en slavernijverleden. Opperclaes restaureerde werken van Heilbron onder de Rotterdamse Hofbogen en nodigde kunstenaars uit om nieuwe murals te maken als reactie op zijn oeuvre. Zo ook Hedy Tjin.
De mural is geschilderd in warme okers, verschillende tinten groen en roze vlakken. Twee handen rijzen in gestileerde en illustratieve vegen op. Het zou zomaar een beeld kunnen zijn van een jeugdherinnering, maar het is ook ambigu genoeg om een abstracte kwaliteit te hebben. Wie er met een half oog naar kijkt, ziet misschien een schildpad, vlechtwerk of een gezicht.
In Nederlandse steden verschijnen steeds meer murals. Die groei brengt ook frictie met zich mee
Aanleiding voor de avond in Pakhuis de Zwijger was het recent gepubliceerde advies Stad als Canvas? In gesprek over murals, streetart en graffiti van Stadscuratorium Amsterdam — het adviesorgaan over kunst in de openbare ruimte van Amsterdam — over aanbevelingen rondom het optimaliseren van processen rond muurkunst, waarbij kunstenaars, bestuurders en curatoren met elkaar in gesprek gingen. Maar zoals Tjin en Opperclaes zelf erkenden: hun geval is geen uitzondering, maar een spanning die geheid opkomt bij het maken van murals.
In Nederlandse steden verschijnen steeds meer murals. Grote figuratieve of abstracte werken op gevels en muren die eerder neutraal waren of juist met graffiti bespoten. De nieuwe werken willen houvast bieden in donkere fietstunnels, verhalen vertellen van wijken in transitie en maken van anonieme bakstenen plekken waarin mensen zich kunnen herkennen of langzaamaan verbinden.
Maar die groei brengt ook frictie met zich mee. Sommige bewoners zitten niet te wachten op een muurschildering in hun buurt. Zo moest er onlangs in Groningen een mural van de Drentse Toyisten wijken na protesten uit de buurt. In Amsterdam haalde muralist Noch haar werk al na een maand weg onder druk van omwonenden. En Judith de Leeuw verwerkte in 2021 haar eigen strijd met de bureaucratie rondom een vergunning in een werk dat ze, met gepaste ironie, Diversity in Bureaucracy noemde.
Genoeg reden voor Stadscuratorium Amsterdam om er werk van te maken: na een reeks stadsdialogen met kunstenaars, bestuurders en andere stakeholders mondde het proces uit in een ongevraagd adviesrapport én een publieksevent. Centraal tijdens deze discussie staat namelijk een vraag die eenvoudig klinkt, maar dat geenszins is: van wie is de openbare ruimte? Wie bepaalt er wat er op een muur komt te staan? Hoe wordt de keuze voor een kunstenaar gemaakt? En als er klachten komen uit de buurt of van erfgoedorganisaties, wie beslist dan wat mag blijven en wat wordt weggehaald?
Wat zegt de wet?
Bij Pink Dream van Nouchka Huijg was het de buurtcommissie die besloot wat er op de muur mocht blijven. Bewoners uitten hun onvrede over het feit dat zij niet hadden kunnen meedenken of -beslissen, zo bleek uit berichtgeving van AT5. Na een bewonersbijeenkomst halverwege augustus 2025 werd daarom achteraf bepaald dat het grootste deel van het werk moest verdwijnen. Wat overbleef waren de gedeelten die niet direct zichtbaar zijn vanuit de tegenoverliggende woningen: een paar pluisjes, zoals Nouch het zelf omschreef tegen AT5, van een paardenbloem die haar middelpunt had verloren.
De beslissingsmacht bij muurschilderingen ligt in de meeste gevallen bij de eigenaar van de muur
Waar Tjin in Rotterdam een passende oplossing wist te vinden, lukte het Nouch niet om tot een vergelijkbare uitkomst te komen. Zij was ook aanwezig in Pakhuis de Zwijger tijdens de stadsdialoog, waar zij vertelde dat murals tegenwoordig soms worden verwijderd na klachten van één bewoner, terwijl veel andere buurtbewoners juist enthousiast zijn. In het panelgesprek pleitte Nouch ervoor dat kunstenaars beter beschermd moeten worden tegen de grillen van de buurt, zowel vooraf als achteraf.
Dat die bescherming nu vaak ontbreekt, hangt ook juist samen met de lage formele drempel voor het maken van een mural. Waar voor het plaatsen van kunstobjecten en andere interventies in de openbare ruimte doorgaans vergunningen nodig zijn, bemiddelaars worden ingeschakeld en adviescommissies inhoudelijke input leveren, ligt de beslissingsmacht bij muurschilderingen in de meeste gevallen bij de eigenaar van de muur. In principe is voor het realiseren van een mural namelijk alleen toestemming van de pandeigenaar vereist.
Op vergunningsvrije plekken kunnen omwonenden en andere belanghebbenden (zoals ontwikkelaars, erfgoedorganisaties of bewonersverenigingen) in veel gemeenten pas achteraf bezwaar maken. Als een kunstenaar er vaak al veel tijd en geld in heeft zitten. Zo gebeurde dat in Amsterdam bij De schipper van Nils Westergaard, na een klacht van een bewoner met zicht op het werk. De Commissie Omgevingskwaliteit beoordeelde het werk hier als ‘welstandsexces’, omdat de schildering afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
Werken op of aan monumenten, of op de blinde gevels van monumenten, zijn wél altijd vergunningsplichtig, een lijn die landelijk is vastgelegd in de Omgevingswet. Bij vergunningsaanvragen wordt een voorstel getoetst door de gemeentelijke vergunningsinstantie op het gebied van omgevingskwaliteit (voorheen welstandscommissie). De criteria die deze commissies hanteren, richten zich doorgaans op de mate waarin een werk past binnen de stedenbouwkundige context. Met name opvallende kleurstellingen op zichtbare locaties of binnen beschermde stadsgezichten worden kritisch beoordeeld. In Amersfoort is bijvoorbeeld een vergunning vereist wanneer een schildering sterk opvalt en niet aansluit bij de omgeving. Amsterdam hanteert bredere criteria, zoals de relatie tussen het bouwwerk en zijn omgeving, de sociaal-culturele context van het ontwerp en het evenwicht tussen materiaal, kleur en licht.
Tegelijkertijd ontbreekt het ook bij deze toetsing van murals vaak aan een eigen juridische categorie: binnen de Omgevingswet bestaat bijvoorbeeld geen specifieke categorie voor muurschilderingen. Ze vallen daardoor tussen bestaande kaders en worden via omwegen beoordeeld. De huidige praktijk blijft daardoor op verschillende manieren rudimentair, en het zijn juist die lacunes die ertoe leiden dat beslissingen in de media belanden en uiteindelijk noch kunstenaars, noch buurtbewoners tevreden achterblijven.
“De hoofdboodschap is eenvoudig maar essentieel: op prominente plekken in de stad is afstemming nodig. Niet pas als het ontwerp er al is, maar vanaf het begin. Kunstenaars, pandeigenaren, bewoners (…) spelen daarin allemaal een rol. Alleen door vroegtijdig samen te werken, kunnen plannen goed worden afgestemd en misverstanden voorkomen.
De muralist in gesprek met de buurt
In een praktijk die vaak wordt gekenmerkt door losse eindjes en ad-hocbeslissingen, pleit Stadscuratorium Amsterdam in haar adviesrapport van eind 2025 voor meer structuur, met als uitgangspunt het vroegtijdig betrekken van alle belanghebbenden. Nu wordt, zo stelt zij, nog te vaak voorbijgegaan aan de directe omgeving. Juist omdat alleen toestemming van de eigenaar nodig is en een muurschildering relatief laagdrempelig te realiseren is, worden de mensen die zich dagelijks in de openbare ruimte begeven over het hoofd gezien.
Het betrekken van de buurt geldt als een van de belangrijkste aanbevelingen. Tegelijkertijd plaatst Stadscuratorium Amsterdam een kanttekening bij een al te oppervlakkige invulling van participatie. Bewoners slechts laten kiezen uit vooraf bedachte opties schiet tekort. Meer zeggingskracht geeft het om bewoners te vragen welke thema’s leven in hun wijk en wat zij belangrijk vinden. Die input kan vervolgens als vertrekpunt dienen voor kunstenaars.
De discussie over regie en participatie speelt niet alleen in Amsterdam
Om meer houvast te bieden, is in het rapport een checklist opgenomen met aandachtspunten voor muurschilderingen. Zo luiden enkele van de vragen voor een initiatief: betreft het een beschermd stadsgezicht? Waarom juist op deze plek? Hoe vindt besluitvorming plaats?
De discussie over regie en participatie speelt niet alleen in Amsterdam. Ook in andere steden zoeken gemeenten naar manieren om meer grip te krijgen op de groeiende praktijk van murals of deze juist te stimuleren. In Tilburg werd deze discussie in 2022 al gevoerd, zo valt na te lezen in een verslag van de avond georganiseerd door de plaatselijke wethouder. Saskia Dellevoet van cultuurplatform Art-fact, dat in Tilburg veel projecten realiseert, benadrukt op die avond ook vanuit haar ervaring hoe belangrijk het is om alle betrokken partijen vanaf het begin mee te nemen.
Net als Tilburg hebben andere gemeenten ook hun beleid inmiddels concreter vormgegeven. In Heerlen worden muurschilderingen beoordeeld op basis van een bredere visie en de stedelijke context. De gemeente werkt aan een kerncollectie, stimuleert vernieuwing en programmeert op zichtbare plekken tijdelijke, wisselende werken van (inter)nationale makers, ondersteund door een externe commissie.
In Nijmegen wordt de mate van sturing afgestemd op locatie en schaal. Hoe zichtbaarder en groter het werk, hoe meer invloed de gemeente heeft. Initiatiefnemers leggen plannen voor aan de Commissie Beeldende Kunst en verwerken feedback. In beschermde stadsgezichten geldt dit in Nijmegen ook voor kleinere werken, met aanvullend advies van de ruimtelijke kwaliteitscommissies.
Een claim op de muur
Het betrekken van bewoners, vroegtijdig overleg en de toetsing door een externe commissie; het is precies deze nadruk op afstemming en kaders die bij initiatiefnemers en kunstenaars ook weerstand oproept. Leggen we de verantwoordelijkheid nu niet te veel bij kunstenaars, in plaats van hen te beschermen? En wat gebeurt er met de vrijheid om autonoom werk te maken, om een muur te claimen zonder voorafgaand akkoord?
Voor participatie en gemeentelijke kaders hebben niet alle kunstenaars tijd, middelen of bureaucratische know how. Ook is de kritiek op participatie geen geheim: werken zouden aan artistieke zeggingskracht inboeten. De kunstcriticus Claire Bishop waarschuwt in haar inmiddels bekende boek Artificial Hells voor de valkuilen van participatieve kunst: wanneer meedoen een doel op zich wordt, dreigt het kritische en artistieke potentieel ervan te verdampen. Kunst die in de eerste plaats draagvlak zoekt, verliest haar vermogen om te verstoren.
Wanneer meedoen een doel op zich wordt, dreigt het kritische en artistieke potentieel ervan te verdampen
Bovendien schuurt het ook met de wortels van muurkunst. Murals vinden hun oorsprong in streetart en graffiti, kunstpraktijken die juist níet ontstaan zijn uit overleg, maar uit toe-eigening.
In de jaren zestig van de vorige eeuw tagden jongeren uit arme wijken in New York hun namen op treinen en muren als een claim op een plek in een stad die hen systematisch negeerde. De trein als medium was veelzeggend: je boodschap reisde door de hele stad, ook door de rijke buurten waar je zelf niet welkom was. In de jaren zeventig en tachtig verspreidde de beweging zich naar Europa. Zoals in het beeldessay van Annemarie de Wildt — opgenomen als deel van het advies — valt te lezen, brachten in Amsterdam pioniers als Dr. Rat, Shoe en Delta de kunstvorm naar verlaten gebouwen en metrostellen. Een contrast met nu: metro’s en trams rijden vandaag de dag door de stad beplakt met commerciële boodschappen en gesanctioneerde kunstwerken.
In streetart ontwikkelde zich dat verder met sjablonen, paste-ups en later grootschalige muurschilderingen. In steden over de hele wereld werden muren omgevormd tot open musea. Hugo Kaagman, die in Amsterdam al in de late jaren zeventig met stencils werkte, beschilderde in 1983 een zestig meter lange schutting op het Waterlooplein rond de bouwput van de Stopera in het centrum van de hoofdstad.
Het is nog steeds deze geschiedenis die de kunstpraktijk van murals vandaag de dag beïnvloedt, ook al wordt er steeds meer in opdracht gemaakt. Interessant genoeg, zo schrijft De Wildt, wordt de ooit bestreden graffiti deels inmiddels zelf erfgoed: in Amsterdam werd het werk van Dr. Rat gerestaureerd op kosten van de gemeente, en een aantal voormalige illegale hotspots wordt omgevormd tot legale graffiti-plekken. Misschien wel het beroemdste voorbeeld is dat Banksy’s streetart inmiddels door het stadsbestuur van Bristol wordt beschermd achter plexiglas.
Hoewel murals hun anti-autoritaire wilde haren deels hebben verloren, is het belangrijk om te beseffen dat ze nog steeds kunnen aankaarten wie zichtbaar is in de stad. De verschuiving naar opdrachten, vergunningen en participatie stelt de kwestie van toegankelijkheid en autonomie daarom op scherp, zeker gezien de oorsprong van muurkunst als kritische, ongeoorloofde toe-eigening van ruimte. Hierbij is ook het risico van zelfcensuur relevant, waarover onlangs de Raad voor Cultuur in het advies Maken (z)onder druk waarschuwde dat toenemende externe druk op makers het creatieve proces kan gaan bepalen en het publieke domein kan verschralen.
Het advies van Stadscuratorium Amsterdam en andere gemeenten begeeft zich daarmee op het spanningsveld tussen artistieke vrijheid en het recht van bewoners op invloed op hun leefomgeving. Hoe houd je een stad open en ondersteun je artistieke autonomie, terwijl je ook de kwaliteit van de openbare ruimte bewaakt? Het is de vraag die onder dit hele onderwerp blijft liggen.
De sensitieve muralist
Het is een vraag die niet uitsluitend voor muurkunst geldt. In andere domeinen van de stad spelen vergelijkbare spanningen tussen openheid en regulering. Zo is het thema ook onderwerp van het boek Building and Dwelling van de bekende Amerikaanse socioloog Richard Sennett. In zijn verhandeling over architectuur en stadsplanning beschrijft hij deze spanning niet als een probleem dat opgelost, maar als een conditie die gedragen moet worden. De stad is altijd rommeliger en onvoorspelbaarder dan de plannen die haar proberen te ordenen, en precies daarin schuilt haar kwaliteit.
Wat Sennet voorstelt, is geen compromis tussen orde en openheid, maar een houding die beide tegelijk toelaat. In zijn boek gaat het over de bescheiden planoloog die structuren ontwerpt waarin hij ruimte laat voor wat zich niet laat plannen. In zijn eigen woorden, vrij vertaald omwille van leesbaarheid: “… betrokken bewoners kunnen samengaan met [zijn voorgestelde] ethische bescheidenheid. Bescheidenheid betekent niet onderdanigheid; de planoloog kan samen optrekken met de betrokken bewoner, deze hoeft niet slechts zich dienend op te stellen – tegelijk kritisch op de ideeën van bewoners en zelfkritisch op haar eigen ontwerp.”
De stad is altijd rommeliger en onvoorspelbaarder dan de plannen die haar proberen te ordenen
Die houding is opvallend herkenbaar in de vraagstukken rond alle kunst in de openbare ruimte, en in dit geval bij muurkunst in het bijzonder. Een vergelijkbaar figuur zoals de sensitieve muralist kan hier helpen om die spanning tussen autonomie en kaders anders te begrijpen. De kunstenaar hoeft niet iemand te zijn die zijn autonomie opgeeft ten gunste van draagvlak, maar als iemand die beseft dat autonomie altijd relationeel is.
Dat betekent niet dat kunst moet worden teruggebracht tot consensus of de wil van de bewoner. Het advies pleit weliswaar voor vroegtijdige afstemming en betrokkenheid van belanghebbenden, maar benadrukt tegelijkertijd dat de verantwoordelijkheid daarvoor niet primair bij de kunstenaar moet liggen, maar bij de gemeente. Juist bij het ontzorgen van de kunstenaar ligt daar een ondersteunende taak. Tegelijk vraagt het van kunstenaars wel een sensitiviteit van wat er komt kijken bij het maken van een mural in de openbare ruimte.
Participatie die pas begint als het ontwerp al klaar is, of waarbij bewoners slechts symbolisch worden geconsulteerd, mist haar doel. Wat telt is een proces waarin inbreng daadwerkelijk richting geeft. Dat vraagt om begeleiding en transparantie over wie wanneer welke verantwoordelijkheid draagt, en een proces dat als legitiem wordt ervaren en waarin de keuzes navolgbaar zijn.
Op deze balans ligt de bredere inzet van het advies: het ontwikkelen van kaders die zulke processen mogelijk maken zonder ze dicht te regelen. Het advies biedt daarbij ook praktische instrumenten (zoals de eerdergenoemde checklist met vragen over locatie, context en besluitvorming) die kunnen helpen om situaties achteraf te voorkomen. Tegelijk pleit het voor een breder ecosysteem rond muurkunst, met ruimte voor experiment, bijvoorbeeld door het creëren van meer ruimte voor experiment in de vorm van vrijplaatsen voor graffitischrijvers en muralists, en het stimuleren van tijdelijke en wisselende werken.
Leven met verschillen
Toch blijft er een fundamentele beperking, ook bij de best georganiseerde processen: niet elke inwoner van een stad kan zijn zin krijgen. Aan het eind van Sennetts boek verschijnt hij in de Kantstrasse in Berlijn, waar hij na een beroerte opnieuw moest leren lopen. Tijdens zijn wandelingen wordt hij soms overvallen door duizelingen en blijft hij staan, steun zoekend tegen een gevel of etalage. Hij is zichtbaar kwetsbaar — een oudere man die even niet verder kan — en merkt dat voorbijgangers hem zien, maar hem niet aanspreken.
Wat op het eerste gezicht afstandelijk lijkt, duidt Sennett anders. Mensen schatten de situatie razendsnel in: is hier directe hulp nodig of niet? Omdat hij overeind blijft en geen beroep doet op anderen, laten ze hem begaan. Die terughoudendheid is geen onverschilligheid, zo schrijft hij, maar een vorm van alledaagse stedelijke competentie: het vermogen om nabijheid en afstand zorgvuldig te doseren.
Vanuit dit voorbeeld stelt Richard Sennett dat samenleven in de stad niet alleen vraagt om betrokkenheid, maar ook om een zekere vorm van afstand. Een inwoner van een moderne stad kan leven met verschillen en anderen in hun waarde laten. Hij bouwt hiermee voort op de ideeën van twee Duitstalige denkers: de 18e-eeuwse filosoof Immanuel Kant en diens begrip Ungesellige Geselligkeit (onmaatschappelijke sociabiliteit) en de 19e-eeuwse socioloog Georg Simmel met zijn concept Blasiertheit (de blasé-houding / onverschillige houding).
Een stad die alleen weerspiegelt wat haar bewoners al kennen, verliest haar vermogen te verrassen en verschillende verhalen te vertellen
Dit inzicht is ook van toepassing op kunst in de openbare ruimte. Niet elke bewoner hoeft zich te herkennen in elke muur van de stad die ze om zich heen ziet. Sterker nog, een stad die alleen weerspiegelt wat haar bewoners al kennen, verliest haar vermogen te verrassen en verschillende verhalen te vertellen. Dat wordt al zichtbaar aan het begin van dit stuk, bij de mural van Hedy Tjin die als ‘te etnisch’ werd bestempeld en van de bewoonster moest wijken. Juist zulke momenten maken duidelijk wat er op het spel staat: er moet voorkomen worden dat simpelweg de luidste stem bepaalt welke verhalen wel en niet ruimte krijgen.
Tegelijk vraagt deze openheid voor verschillende stemmen ook om zorgvuldigheid van de andere kant. Dat niet iedereen zijn zin kan krijgen is geen vrijbrief voor willekeur. Wie deelneemt aan de openbare ruimte draagt verantwoordelijkheid voor hoe dat gebeurt. De manier waarop iets tot stand komt, bepaalt in grote mate of verschillen ook echt kunnen worden gedragen.
Hierin ligt ook een verantwoordelijkheid bij beleid en gemeenten om kunstenaars, initiatiefnemers en bewoners goede kaders te bieden waarin deze verschillende belangen samen kunnen komen. Het devies is wat dat betreft helder: ga met elkaar in gesprek.
Ted Fenton is secretaris bij het Stadscuratorium Amsterdam.
