Essay: de invloed van de fysieke werkruimte op het maakproces

ico Xandra Nibbeling

  • podcast

In de inmiddels dertig gesprekken die de BK-podcast Het kan ook anders rijk is, komen vele thema’s langs. Een van de terugkerende onderwerpen is het atelier, de ruimte zelf en hoe die het werk en het werken beïnvloedt. Wat valt er te zeggen over dit onderwerp?

In Kritiek van de zuivere rede (1781) stelt Immanuel Kant dat ruimte en tijd geen objectieve eigenschappen van de werkelijkheid zijn, maar structurerende kaders waarmee de mens waarnemingen ordent. Vanuit die gedachte kan ook de werkruimte van de kunstenaar worden gezien als een kader dat invloed heeft op hoe ervaringen worden verwerkt en vertaald naar artistieke productie.

Een van de vele dingen die opviel, was dat alle daar werkende beeldend kunstenaars klein werk maakten

Terwijl ik op zoek ben naar informatie over de invloed van ruimte op het creatieve proces, herinner ik me een bezoek aan een ateliergebouw in een oude industriestad in het noorden van Engeland. Vervallen, vochtige en tochtende fabriekshallen waren met behulp van pallets, kasten en dozen als scheidingswanden, omgebouwd tot kleine (grotendeels onverwarmde) werkruimten voor vele tientallen kunstenaars. Een van de vele dingen die opviel, was dat alle daar werkende beeldend kunstenaars klein werk maakten: kleine schilderijen, kleine sculpturen en video- of ander digitaal werk. Ruimte om veel materiaal op te slaan en om groot werk te maken was er eenvoudigweg niet.

Van oudsher wordt het atelier beschreven als een rommelige, chaotische of geïmproviseerde werkplek. Tot zover het clichébeeld. Het uiterlijk van ateliers loopt natuurlijk net zo uiteen als de kunst die in die ateliers wordt gemaakt. Maar is er een relatie tussen de ruimte en de kunst die in die ruimte wordt gecreëerd? Wat is het belang en de rol van die ruimte? Theoretische onderbouwing is te vinden in verschillende disciplines. Onderstaand richt ik me op de disciplines omgevingspsychologie, cognitiewetenschap en architectuurtheorie, waar ruimte wordt gezien als een factor die het handelen mede sturing geeft.

Is er een relatie tussen de ruimte en de kunst die in die ruimte wordt gecreëerd?

Inrichting en schaal van een atelier kunnen richting geven aan het type werk dat ontstaat. Binnen de omgevingspsychologie is aangetoond dat fysieke kenmerken van een ruimte, zoals licht, plafondhoogte en geluidsniveau, invloed hebben op concentratie, creativiteit en probleemoplossend vermogen. Een hoge ruimte wordt bijvoorbeeld vaker geassocieerd met abstract denken, terwijl lagere ruimtes meer uitnodigen tot detailgericht werken.

De theorie van embodied cognition benadrukt dat denken voortkomt uit de interactie met de omgeving. Het maakproces is in die zin een lichamelijke activiteit: bewegen, reiken en het hanteren van materialen maken integraal onderdeel uit van het denken. De fysieke eigenschappen van een ruimte, en daarmee ook een werkruimte, beïnvloeden het denken en het creatieve proces, dat geldt niet alleen voor de werkruimte zelf, maar ook voor de buitenruimte. Van veel bekende denkers en makers – zoals Artistoteles, Virginia Woolf, Hannah Arendt, Kant, Annie Dillard, Darwin, Cézanne, Monet en Nietsche – is bekend dat zij graag en regelmatig een wandeling maakten in de buitenruimte om beter na te kunnen denken en beter te kunnen werken.

In de architectuurtheorie wordt ruimte steeds vaker opgevat als een dynamisch geheel van relaties tussen objecten, lichamen en handelingen. De werkruimte van de kunstenaar kan worden gezien als een samenstelling van elementen – gereedschap, materialen, inrichting en indeling – die gezamenlijk het maakproces vormgeven. Volgens deze theorie sturen de positionering van objecten en de organisatie van de ruimte de te maken keuzes, bovendien maken zij bepaalde handelingen waarschijnlijker dan andere.

De fysieke eigenschappen van een ruimte beïnvloeden het denken en het creatieve proces.

Een voorbeeld: een keramiekkunstenaar heeft de klei aan het begin van het maakproces voor het grijpen liggen, waarmee de drempel om te starten laag is. Als de draaischijf zich dan achter in de ruimte bevindt, zorgt dat er misschien voor dat de maker eerst een stukje door de ruimte moet bewegen, voordat de stap van idee naar uitvoering gezet wordt. In die beweging kan een moment van contemplatie zitten, die het verdere proces en het werk beïnvloedt.

Ook de sociaal-economische context van de werkruimte speelt een rol in het maakproces. Toegang tot ruimte, flexibiliteit in gebruik en de mate van autonomie beïnvloeden wat en hoe er wordt geproduceerd. Tijdelijke of gedeelde werkplekken – iets waar veel kunstenaars mee te maken krijgen – leiden vaak tot kortere werkcycli en snellere besluitvorming, terwijl permanente ateliers ruimte bieden voor langdurige ontwikkeling.

Tijdelijke of gedeelde werkplekken leiden vaak tot kortere werkcycli en snellere besluitvorming.

Het fysieke atelier is dus geen neutrale, willekeurige achtergrond voor het maakproces van kunstenaars. Het is juist een bepalende factor binnen dat maakproces en beïnvloedt niet alleen het eindresultaat, maar ook de werkwijze en de omstandigheden waaronder werk tot stand komt. Het beschikbaar hebben en maken van werkruimtes raakt aan de kern van artistieke productie. En daarmee blijft de beschikbaarheid van ateliers een belangrijk en essentieel aandachtspunt binnen cultuurbeleid op alle beleidsniveaus.

Wilt u meer van dit soort artikelen lezen?

Dat kan door een abonnement te nemen op BK-informatie.
Daarmee steunt u ons en kunnen wij het vakblad voor beeldend kunstenaars blijven maken. Dankzij onze trouwe abonnees en adverteerders kan BK-informatie acht keer per jaar verschijnen, print en online, vol informatie die de beroepspraktijk van kunstenaars ondersteunt.

Belangrijk voor iedereen werkzaam in de beeldende kunstsector!

Neem nu een abonnement en u ontvangt voor het eerste jaar 25% korting

nl_NL_formalDutch